Foto: Lieven Nollet

20.03.2020

Aanstekelijke hoop: de lockdown van ... Hans Claus

[...]
Ik ben besmet met poëzie.
Onder mijn vingers broeit een lichte koorts,
waarmee ik je graag aan wil steken,
zo, met liefkozende lippen.

uit 'Een aanstekelijke hoop' - Carl Norac, 2e gedicht Dichter des Vaderlands
Vertaling: Katelijne De Vuyst

De Corona-crisis stelt ons als maatschappij en als individu voor grote uitdagingen: Hoe organiseer ik mijn thuiswerk? Wat als ik economisch werkloos word? Hoe zorg ik voor een zinvolle tijdsbesteding voor mijn kinderen? Wat met vrienden en familieleden, ...

Ook dichters zijn mensen wiens leven in een nieuwe realiteit is terecht gekomen. Wij vroegen een aantal van hen hoe zij dit alles ervaren. Aanstekelijke hoop wordt een serie met elke werkdag een aflevering. Een kort gesprek over de al dan niet poëtische werkelijkheid van vandaag.

Vandaag trappen we de reeks af met Hans Claus. Hans Claus is een artistiek-creatieve duizendpoot: schilder, beeldhouwer, fotograaf, schrijver en dichter. Dit is mijn lichaam (2018) is zijn recentste dichtbundel. De poëzie van Hans Claus heeft vaak een maatschappelijk thema. Die maatschappelijke component komt ook tot uiting in zijn professionele carrière als directeur van de gevangenis van Oudenaarde. Een functie die hij vaak aangrijpt om de zwakkeren in onze maatschappij te verdedigen, zowel in gedrukte media als op radio en tv.

P-C: Als je naast schrijven nog andere beroepsactiviteiten hebt, dan moet je die wellicht nu reorganiseren. Welke impact heeft de huidige situatie op jouw werk

H.C.: Als directeur van een gevangenis dacht ik dat alles wist over isolatie. Mensen in isolatie plaatsen, dat doe ik al 34 jaar. Soms met een pennentrek. Maar nu overkomt het mij zelf. En ik tot mijn schande moet toegeven dat ik een leek ben.
Ook de gedetineerden ondervinden hinder van de corona-maatregelen. Zij krijgen geen bezoek meer. Vele activiteiten zijn geschrapt. Hulpverleners komen niet meer over de vloer.
 
Maar zij blijken daar tegen bestand. Zij zijn de experten in de isolatie. Zij hebben daar op getraind. Zij weten hoe je de wereld heropbouwt op negen vierkante meter.  Niet voor enkele weken, maar voor maanden, sommigen voor jaren.
Nu er een wereldwijde virus aan onze poorten staat, draait de wereld even om. Plots blijken wij, de personeelsleden het gevaar te zijn. Wij, die buiten met zieke kinderen in contact komen, brengen de ziekte mee naar binnen.
 
Eén ding is nu duidelijk geworden. Hoeveel empathie wij dagelijks voor de gedetineerden ook proberen op te brengen: wij kunnen hen nooit zo nabij zijn dat wij zouden voelen wat zij voelen, dat wij zouden weten wat zij weten. Wij delen hun lot eigenlijk nooit.

Misschien is dat ook van toepassing op vele andere domeinen waar mensen andere mensen nabij proberen te zijn. Iemand anders zijn leven kan je niet leven. Met veel schroom en respect moeten we daar enige afstand van nemen. Op zijn minst anderhalve meter.

P-C: Heb je nu meer tijd om te schrijven? Heeft de Corona-crisis jou al geïnspireerd tot een gedicht of denk je dat dat in de toekomst nog wel het geval zal zijn?

H.C.: Nu ik zelf in quarantaine zit blijven de woorden raar genoeg weg uit mijn hoofd. De grote stilte die rond mij staat, inspireert mij niet. Ik besef voor het eerst dat de dichtkunst voor mij een vluchtheuvel is, om het drukke leven en de vele communicaties en contacten te ontlopen. 

Nu die er niet meer zijn, loopt dat volle bad van woorden leeg en blijft alleen het zicht op het wit email, dat bijna van het zelfde wit is als het wit van een leeg blad.

P-C: Welke dichtbundel mag er mee in Corona-quarantaine?

H.C.: Als bundel wens ik Tederheid en andere beloften ( Uitgeverij P, 2014 )  op de leesplank te leggen. Om in deze rare tijden eens te rade te gaan bij de experten in de isolatie, in het volle besef dat ik die verzen schreef vanuit een – achteraf gezien misplaatste - poging van inleving.

Tags: Interview, Lockdown-serie