Foto: Mieke Deferme

26.03.2020

Aanstekelijke hoop: de lockdown van ... Luuk Gruwez

[...]
Ik ben besmet met poëzie.
Onder mijn vingers broeit een lichte koorts,
waarmee ik je graag aan wil steken,
zo, met liefkozende lippen.

uit 'Een aanstekelijke hoop' - Carl Norac, 2e gedicht Dichter des Vaderlands
Vertaling: Katelijne De Vuyst

De Corona-crisis stelt ons als maatschappij en als individu voor grote uitdagingen: Hoe organiseer ik mijn thuiswerk? Wat als ik economisch werkloos word? Hoe zorg ik voor een zinvolle tijdsbesteding voor mijn kinderen? Wat met vrienden en familieleden, ...

Ook dichters zijn mensen wiens leven in een nieuwe realiteit is terecht gekomen. Wij vroegen een aantal van hen hoe zij dit alles ervaren. Aanstekelijke hoop wordt een serie met elke werkdag een aflevering. Een kort gesprek over de al dan niet poëtische werkelijkheid van vandaag.

In de aflevering van vandaag is Luuk Gruwez te gast. Luuk Gruwez (Kortrijk, 1953) is dichter, prozaïst en essayist. Hij debuteerde in 1973 met de bundel Stofzuigergedichten en zijn recentste bundel is Bakermat (2018). In 2016 verscheen ook nog een bundeling van zijn poëziebeschouwingen onder de titel Ik wil de hemel en ik wil de straat. In 2009 won hij de Herman de Coninck Publieksprijs voor het gedicht 'Moeders'.

P-C: Als je naast schrijven nog andere (beroeps)activiteiten hebt, dan moet je die wellicht nu reorganiseren. Welke impact heeft de huidige situatie op jouw werk?

LG: De coronacrisis  heeft mijn dagindeling niet bepaald op zijn kop gezet. Mijn vriendin en ik verlaten ons huis enkel en alleen voor noodzakelijke boodschappen of voor een korte wandeling of een fietstocht in de buurt. Maar 's avonds nemen wij deel aan het grote ritueel: dan staan wij nabij ons huis te applaudisseren voor onze zorgverstrekkers. Aanvankelijk luidde ik, voorafgaand aan dat applaus, nog een bel die een ware pokkenherrie veroorzaakte, een soort buitenproportionele wake-up call voor wie in feite al wakker was. Maar ik word met de dag stiller. In de boom voor ons huis hebben wij een groot wit laken gehangen. Soms vraag ik mij af of het niet, als in een oorlogssituatie, de witte vod van de overgave is. Maar ze blijft er nu toch al meer dan een week hangen: misschien wordt het ooit nog de stateloze vlag van de hoop.  

P-C: Heb je nu meer tijd om te schrijven?

LG: Ik kan niet zeggen dat ik meer tijd aan het schrijven besteed. Maar mijn schriftuur wordt meer en meer een enclave waarin ik mezelf mag terugtrekken en schrijvenderwijs bij de buitenwereld betrokken ben, zonder mij erin te moeten of te mogen begeven.

P-C: Heeft de Corona-crisis jou al geïnspireerd tot een gedicht of denk je dat dat in de toekomst nog het geval zal zijn?

LV: Ik heb luttele weken voor hier de crisis uitbrak een tafelrede geschreven voor het cultuurcentrum van Hasselt. Die handelt over onze nood aan geborgenheid: dus precies over datgene wat thans door de vereiste 'social distancing' onmogelijk wordt gemaakt. Het is een gevoel dat mij bij een interessant thema brengt dat Franz Kafka al als volgt omschreven heeft: 'Das Gefühl haben, gebunden zu sein, und gleichzeitig das andere, dass, wenn man losgebunden würde, es noch ärger wäre.' 

P-C: Welke dichtbundel mag er mee in Corona-quarantaine?

Ik neem de recentste bundel van een van Nederlands beste dichteressen mee: Inzake dit huis van Hester Knibbe. Die handelt over wat ook mij ononderbroken bezighoudt: de pendelbeweging tussen thuis en elders en de permanente onrust die daar het gevolg van is. Een van mijn oudste dichtbundels heet veelzeggend Een huis om dakloos in te zijn. Ik heb het al uitentreuren gezegd en geschreven: 'Ik ben overal ter wereld op zoek naar een plek om thuis te komen.' Vandaar dus!

Tags: Interview, Lockdown-serie